Het gezamenlijke voorkomen van ‘dubbele afhankelijkheid’

In de praktijk zijn er bij veel partijen vragen over de operationalisering van het begrip 'scheiding van wonen en werken'. In essentie gaat het hier om de vraag hoe een eventuele dubbele afhankelijkheid van arbeidsmigranten van hun werkgever (die van wonen èn werken) kan worden voorkomen. Wat vinden partijen wel en niet acceptabel? Om hierover meer helderheid te verschaffen, is deze notitie opgesteld door de partijen van de Nationale Verklaring Huisvesting Arbeidsmigranten.

De Nationale Verklaring
Door ondertekening van de Nationale Verklaring hebben partijen zich gezamenlijk gecommitteerd om de huisvesting van arbeidsmigranten te verbeteren in Nederland. De verklaring geeft ook de inzet van de gezamenlijke partijen weer rond het vraagstuk van de ‘dubbele afhankelijkheid’:
Vanuit een gevoel van verantwoordelijkheid voor goede huisvesting en bij gebrek aan een redelijk alternatief kiest een deel van de werkgevers ervoor om zelf huisvesting te regelen voor hun werknemers. Daarbij wordt vaak samenwerking gezocht met commerciële partijen die zich toegelegd hebben op het bouwen of beheren van short stay-achtige voorzieningen. Dit ligt in lijn met de wens van steeds meer werkgevers, n.l. dat zij afwillen van de ‘dubbele pet’ (aanbieden van werken én wonen). In enkele agrarische deelsectoren is, naast structureel werk, veel kortdurend seizoenwerk. Werkgevers hebben vaak arbeidsmigranten in loondienst en huisvesten ze op het eigen bedrijf.Ook werknemersorganisaties zouden graag zien dat situaties van dubbele afhankelijkheid worden voorkomen. De sociale partners zetten daarom gezamenlijk in om tot een ‘level playingfield’ te komen: bestrijding van malafide werkgevers die zich niet aan de wet houden en hun werknemers tegen lage lonen laten werken. Vanuit hun verschillende verantwoordelijkheden pakken de overheid en de uitzendsector zelf (SNA en SNCU) deze malafiditeit aan.

I. HUIDIGE SITUATIE

Huisvesting door werkgevers
Veel werkgevers nemen verantwoordelijkheid voor de huisvesting van hun werknemers c.q. arbeidsmigranten. Dat kan voor beide partijen voordelen met zich meebrengen. Zo kan de werkgever ‘zijn’ mensen huisvesten in de nabijheid van het werk. En kan de werknemer zich de moeite van het veelal ingewikkelde zoeken naar passende huisvesting achter zich laten. Daarbij constateren werkgevers en werknemers dat er vaak onvoldoende passende en kwalitatief goede huisvesting beschikbaar is voor arbeidsmigranten om op eigen gelegenheid daadwerkelijk eigen huisvesting te vinden. In beginsel is deze dubbele verantwoordelijkheid geen onwenselijke. Zij doet immers niets af aan de mogelijkheid en vrijheid voor arbeidsmigranten eigen huisvesting te zoeken. Het biedt ook werkgevers de gelegenheid deze verantwoordelijkheid goed in te vullen. Echter, zo blijkt in de praktijk, biedt deze dubbele verantwoordelijkheid ook gelegenheid aan kwaadwillende partijen een onwenselijke afhankelijkheid te creëren en te effectueren. Als van die kwaadwillendheid sprake is, gaat die onwenselijke afhankelijkheid ook nog vaak samen met zaken als uitbetaling onder het wettelijk minimumloon/CAO-loon, exorbitante boetes en excessieve inhouding van ziektekostenpremie. Daarmee ondergraven zij de marktpositie van goedwillende en verantwoordelijke werkgevers, die kwalitatief goede huisvesting aan willen bieden aan het eigen personeel . De kwaliteit van de huisvesting komt daarmee onder druk te staan. De ondertekenaars van de Nationale verklaring vinden dat eventuele huisvesting door werkgevers minimaal aan de volgende twee uitgangspunten moet voldoen:

1. Arbeidsmigranten zijn en blijven vrij zelf huisvesting te zoeken. Zij kunnen dus te allen tijde een huisvestingsovereenkomst aan gaan met wie zij willen, ook als dit hun eigen werkgever is. Het is aan hen te bepalen wanneer zij dit onwenselijk achten of zich belemmerd voelen deze vrijheid in te vullen. De Nationale Verklaring is erop gericht een voldoende aanbod aan huisvestingsmogelijkheden voor arbeidsmigranten te bieden.
2. Het staat werkgevers vrij huisvesting aan te bieden. Zij dienen dit vanzelfsprekend verantwoord te doen en de werknemer hierin zekerheid en duidelijkheid te verschaffen. Bij voorkeur brengen zij de huisvesting onder in een juridisch afgescheiden entiteit. De werknemer moet in ieder geval weten waar hij of zij aan toe is.

Couleur Locale
De ondertekenaars van de Nationale verklaring erkennen dat er verschillen bestaan tussen regio Õs en typen werkgevers. Ook erkennen zij dat er verschillende manieren zijn om aan de vraag naar huisvesting te voldoen. Zo speelt de discussie over de dubbele afhankelijkheid wellicht sterker in die gebieden waar veel agrarische werkgelegenheid is. De partijen van de verklaring hechten er belang aan dat standpunten hierover in de regio’s samen in goed overleg worden besproken en op een wijze die recht doet aan de rol en verantwoordelijkheid van alle betrokken partijen. Centrale uitgangspunten moeten daarbij zijn: het respecteren van elkaar rol en positie en het (verder) werken aan onderling vertrouwen.

Herkennen van onwenselijke situaties
Partijen moeten, naast het ontwikkelen van goede alternatieven, alert zijn op onwenselijke bestaande huisvestingssituaties. Allereerst is het van belang te constateren òf er sprake is van een dubbele afhankelijkheid. Daarna kan beoordeeld worden of die dubbele afhankelijkheid tot een onwenselijke situatie leidt. Om die situaties te herkennen en aan te pakken is het van belang een risicoanalyse te maken (zie bijlage).

II. TOEKOMSTIGE SITUATIE
Door het ontbreken van voldoende aanbod van tijdelijke huisvesting, is op dit moment het gecombineerd aanbieden van wonen (voor een deel op het erf) en werken, deels een kwestie van een gebrek aan alternatief. In de Nationale Verklaring is geen absoluut standpunt over het al dan niet scheiden van wonen en werken als eindperspectief aangegeven. Wèl geven de ondertekenaars aan dat er drie harde waarborgen moeten worden ingebouwd om dubbele afhankelijkheid te voorkomen:

1. Arbeidsmigranten hebben naast het aanbod van de werkgever ook zelf de mogelijkheid huisvesting te zoeken en daar is ook voldoende fatsoenlijk aanbod beschikbaar voor
2. Alle vormen van huisvesting (inclusief ‘wonen op het erf’) vallen onder een vertrouwenwekkende onafhankelijke controle van enerzijds de SNF en anderzijds de overheid
3. Er is -voor zover dat nog niet in CAO’s is geregeld- sprake van een redelijke overgangstermijn zodat het verlies van een baan niet ook direct het verlies van een bed betekent.

Het faciliteren van nieuw aanbod
De ondertekenaars van de Nationale verklaring vinden het van belang dat er mèèr moet gebeuren dan alleen de bestaande onwenselijke situaties scherper in beeld krijgen en aanpakken (via bijvoorbeeld de ‘bed-voor- bedregeling’). De ondertekenaars zetten daarom ook in op meer en beter aanbod van tijdelijke huisvesting. De uitvoering van de Nationale Verklaring en het programma Flexwonen voor Arbeidsmigranten zijn daarop gericht. Het zal zeker enige jaren duren voordat er voldoende aanbod beschikbaar is.

III Afwijkende lokale/regionale standpunten
Lokale/regionale partijen hebben een eigen verantwoordelijkheid en hebben daarmee ruimte een ander standpunt over het voorkomen van ‘dubbele afhankelijkheid’ in te nemen dan de ondertekenaars van de Nationale Verklaring. Daarbij is het van belang aan te geven:
a) dat men bij een eventueel ruimhartig beleid over ‘wonen op het erf’ waarborgt dat onafhankelijk toezicht op alle huisvesting goed geregeld is
b) dat men in geval van een strikte scheiding waarborgt dat er voldoende huisvestingsalternatieven zijn die aan de wettelijke vereisten en CAO-normen voldoen. Immers, de ‘parkbankjes’ en/of het vraagstuk over de schutting van de regio gooien zijn geen alternatief


| Deel dit artikel  

Dossiers: Arbeidsmigranten, Beleid, Handhaving, Normering en certificering,