Column Peter Loef: Wie regelt de woonopgave voor arbeidsmigranten?

Het debat over arbeidsmigratie verstomt nooit. Het regeerakkoord en recente publicaties over de toegang tot zorg geven het debat weer extra momentum. Terecht. Misstanden met arbeidsmigranten moeten worden aangepakt en zij die het nodig hebben verdienen betere bescherming.

 

 

 

 

 

 

Peter Loef, programmamanager Arbeidsmigratie ABU

 

“Wat mij in dat debat opvalt, is dat we veel spreken over gewenste rechten en nieuwe structuren om zaken op te lossen. Het gaat veel minder over de vraag of zaken in de huidige Nederlandse context uitvoerbaar zijn. Ik heb het dan over het scheiden van wonen en werken. In gesprekken hoor ik hoe aantrekkelijk dat klinkt: meer autonomie, minder afhankelijkheid van werkgevers. Ook ik zie de logica daarvan en ben voorstander van deze scheiding. Maar tegelijk zie ik de vragen die vaak op tafel blijven liggen. Wie organiseert dan de huisvesting, in welke woningmarkt en hoe voorkomen we dat afhankelijkheid verschuift naar andere partijen, zoals huisjesmelkers of informele tussenpersonen en arbeidsmigranten daarmee in een schimmig circuit terecht komen.”

 

Arbeidsmigratie is structureel

“Wat ik in veel discussies mis, is het besef dat arbeidsmigratie geen tijdelijk verschijnsel is. Ongeveer de helft van de uitzendkrachten in Nederland komt uit het buitenland. Daarmee heeft deze groep een structurele plek in onze economie gekregen. In logistiek, voedselproductie, techniek, bouw en IT is internationale arbeid al jaren onmisbaar, ook voor hightechbedrijven als ASML. En laten we eerlijk zijn, deze mensen doen vaak werk waarvoor Nederlanders niet te porren zijn, ook dat.

Arbeidsmigratie is daarmee geen incident dat we kunnen ‘afschalen’. Het is een economische realiteit, gebaseerd op het Europese vrije verkeer van werknemers en de inrichting van onze arbeidsmarkt.

Wat ik ook vaak zie, is dat het huisvestingsvraagstuk te snel wordt gekoppeld aan uitzendbureaus alleen. Minder dan de helft van de arbeidsmigranten werkt via een uitzendbureau. Meer dan de helft is rechtstreeks in dienst bij reguliere werkgevers. Het vraagstuk raakt dus de hele arbeidsmarkt.”

 

“Wat naar mijn idee structureel wordt onderschat,
is de directe relatie tussen arbeidsmarktbeleid en woningmarkt.”

 

Nationale arbeidsmarkt, regionale woningbouw

“Hier zie ik een fundamentele spanning. De arbeidsmarkt functioneert nationaal en binnen Europa zelfs grensoverschrijdend. Werkgevers organiseren hun personeelsvraag op nationale schaal. Werknemers bewegen zich waar werk is. Maar woningbouw is lokaal georganiseerd. Gemeenten bepalen aantallen, segmenten en doelgroepen binnen hun eigen grenzen.

In gesprekken met gemeenten merk ik hoe lastig dit is. De economische dynamiek die mensen naar een regio brengt, wordt nationaal en Europees bepaald. De woonopgave landt lokaal. Die werelden sluiten niet vanzelf op elkaar aan.

Wat naar mijn idee structureel wordt onderschat, is de directe relatie tussen arbeidsmarktbeleid en woningmarkt. Arbeidsmigranten komen om te werken. Ik vind dat wij als goed gastheer de verantwoordelijkheid hebben om fatsoenlijke huisvesting te organiseren voor mensen die hun land verlaten om hier bij te dragen aan onze economie.

Meer dan 60 procent van de gecertificeerde woonruimten binnen SNF bestaat uit reguliere woningen. Dat laat zien hoe sterk huisvesting voor arbeidsmigranten inmiddels leunt op de bestaande woningvoorraad. Wanneer werk en huisvesting niet gelijktijdig worden georganiseerd, zie ik wat er gebeurt, overbewoning, druk op wijken en verkamering van eengezinswoningen.

Tegelijk zie ik hoe regelgeving zich opstapelt. Hogere kwaliteitseisen, de Roemer-norm als ondergrens, nieuwe huurrechtelijke kaders, fiscale aanpassingen. Allemaal landelijk beleid.

De bedoeling is begrijpelijk, betere bescherming. Maar wat ik zie, is dat elke normverhoging ook een kwantitatieve consequentie heeft.

Het Expertisecentrum Flexwonen berekende dat bij 1 persoon per kamer circa 156.000 extra kamers nodig zijn. Dat komt neer op 43.000 extra woningen. Dat legt extra druk op de nu al hoge opgave om te bouwen. Onze leden investeren in nieuwbouw op dit kwaliteitsniveau. Tegelijk hoor ik uit de praktijk dat het bestaande aanbod daar nog niet volledig aan voldoet. Het kwaliteitsvraagstuk is dus óók een capaciteitsvraagstuk. Mijn zorg is dat normverhoging zonder flankerend beleid leidt tot meer tekorten en daarmee meer druk in het informele circuit. Met alle gevolgen van dien want uit het zicht.”

 

Scheiden van wonen en werken: hoe dan?

“In het regeerakkoord lees ik dat werkgevers meer verantwoordelijkheid moeten nemen voor huisvesting én dat wonen en werken sterker moeten worden gescheiden. Die combinatie roept vragen op. Meer verantwoordelijkheid, maar minder verwevenheid? Organiseren, maar niet verbonden zijn? Operationeel betrokken, maar financieel losgekoppeld?

In gesprekken met huisvesters hoor ik een terugkerend geluid, uitzenders zijn huisvesters tegen wil en dank. Huisvesting is meestal een middel om arbeid mogelijk te maken, geen doel op zich.

Tegelijk hoor ik van arbeidsmigranten dat juist de combinatie van werk en huisvesting voor hen doorslaggevend is om naar Nederland te komen en voor een specifiek uitzendbureau te kiezen. Zonder dat aanbod moeten zij zelfstandig een woning vinden op een overspannen markt in een land waar zij de regels en taal niet kennen.

Het wenkend perspectief zoals ook de groep leden beschreven, verdere professionalisering van dit deel van de huisvestingsmarkt en volledige scheiding van wonen en werken, zie ik ook als perspectiefrijk. Ik stel mijzelf daarbij dan wel de vraag of de zelfstandige verhuurders bereid om rechtstreeks aan individuele arbeidsmigranten te verhuren in een B2C-model? Nu verhuren zij vaak in meerjarencontracten aan uitzendbureaus en hebben zij geen debiteurenrisico. Een individuele huurrelatie met een arbeidsmigrant is weer totaal iets anders. Wellicht ligt het voor hen dan meer voor de hand te kiezen voor huisvesting van andere doelgroepen waar de opdrachtgever dan een COA of Gemeente is?”

 

Gelijke rechten, gelijke kansen?

“Daaronder ligt een nog fundamentelere kwestie die ik te weinig hoor in het debat. Kunnen arbeidsmigranten als zelfstandige huurders daadwerkelijk concurreren op een krappe woningmarkt? Met gelijke toegang tot inschrijfsystemen, selectieprocedures en krediettoetsen? Of creëren we formeel gelijke rechten, maar feitelijk ongelijke kansen? Ofwel een papieren werkelijkheid. Wat ik zie in andere segmenten van de woningmarkt, maakt mij daar niet vanzelf optimistisch over. Als we wonen en werken scheiden zonder deze realiteit onder ogen te zien, vrees ik dat we een maatschappelijk risico verplaatsen in plaats van oplossen.”

 

Waar zit de oplossing?

“Bottom line blijft dat er onvoldoende kwalitatieve woonruimte beschikbaar is en zeker als alle bestaande woonruimte binnen afzienbare tijd voor alle woonvormen naar het Roemer-niveau moet worden getrokken. De Wet versterking Regie op de Volkshuisvesting kan richting geven. Maar arbeidsmigranten zijn niet expliciet als doelgroep opgenomen in de wet zelf of in de Memorie van Toelichting. Ze worden wel genoemd in Kamerstukken, maar dat is geen harde regel dat arbeidsmigranten een doelgroep zijn en daar ook een woonbehoefte voor moet worden vastgesteld. Hier zie ik opnieuw de spanning tussen nationaal en lokaal beleid.

De komst van internationale werknemers is een gevolg van Europese regelgeving en een nationaal functionerende arbeidsmarkt waarin werk de economische bedrijvigheid in een land volgt. Maar of hun woonbehoefte wordt meegenomen hangt af van lokale keuzes in gemeentelijke programma’s. Zonder een bij wet geregelde positie als doelgroep voor arbeidsmigranten blijft het afhankelijk van interpretatie. Terwijl de economische realiteit niet regionaal is, maar nationaal en Europees. Gemeenten mogen geen onderscheid maken op basis van nationaliteit. Voorrang op individuele basis is juridisch niet mogelijk. Maar keuzes op basis van objectieve woonbehoefte zijn dat wel.”

 

Tot slot

“Als we echt hogere kwaliteit van huisvesting voor arbeidsmigranten willen, minder afhankelijkheid van werkgevers nastreven en wonen en werken structureel willen scheiden, dan horen daar duidelijke keuzes bij. Dus neem arbeidsmigranten als groep formeel op in wetgeving, tel ze mee in de bouwopgave door het noemen van concrete aantallen voor huisvesting. En zolang arbeidsmigratie onderdeel is van ons arbeidsmarktbeleid regel dan dat op lokaal niveau de huisvesting in orde is of komt.

Stel dat werkgevers en uitzendbureaus nu stoppen met het aanbieden van huisvesting voor arbeidsmigranten, wie gaat dat dán doen, laten we dit dan over aan de arbeidsmigrant zelf en is dat kansrjik? Ik stel voor dat we in een publiek private samenwerking met ketenpartners een migratiepad daar naartoe uitwerken. Dan wel een pad met concreet benoemde verantwoordelijkheden en doelen! Het nieuwe kabinet moet wat mij betreft echt laten zien dat het regie gaat voeren, in woorden en voorál óók in daden!”

Deze column verscheen ook in Flexmarkt

 

Zie ook andere columns op deze website

Datum:
Dossier:
Huisvesting arbeidsmigranten
Onderwerp:
Arbeidsmigratie, Beleid, Doelgroepen flexwonen